Wibe, dank je wel!
Op de vraag van de begeleider wie werken wil, stapt zij naar voren. Samen met de begeleider staat ze voor haar genogram. Dit geeft een beeld van haar stamboom, aangevuld met belangrijke gebeurtenissen, zoals een vroeg gestorven kind, een ernstige ziekte, een oorlog of de herkomst uit een ander land. Op basis van haar genogram stelt de begeleider haar nog enkele vragen. Ze vertelt dat er altijd een gevoel van dreiging om haar heen hangt. Ze heeft geen idee waar dat mee te maken heeft. Op haar genogram is te zien dat bij haar grootouders van moeders kant het eerste kind, een meisje, gestorven is. Daarna hebben haar grootouders nog een dochter gekregen. Van haar ouders weet ze verder geen bijzonderheden. Ze is het tweede kind, net als haar moeder en ze heeft een broer die een paar jaar ouder is dan zij.
“Kies maar een stand-in voor je vader, je moeder en voor jezelf”, geeft de begeleider aan. “Neem er rustig de tijd voor. Loop de kring maar rond en kies dan intuïtief iemand”.
Ze zet haar vader en moeder in de ruimte met een flinke afstand tussen hen in. De vader kijkt een andere kant op en de moeder staart in de verte alsof ze naar iets kijkt en haar blik er niet van kan losmaken.
“Hoe is het met de vader en met de moeder?”, vraagt de begeleider. De vader voelt zich wat afwezig. Bij de moeder is een gevoel van bedruktheid. Hoe is het als hun dochter erbij komt? De stand-in voor de cliënt vertelt dat ze zich sterk verbonden voelt met haar moeder Ze wil haar moeders blik naar zich toehalen.
De grootouders van moeders kant worden nu opgesteld: pake en beppe. Als die neergezet zijn, hangt er een zware energie in de ruimte. De begeleider benoemt dit en besluit deze energie met zijn aandacht te volgen. Eerst moet het in déze generatie helder worden.
De oudste dochter die gestorven is aan wiegendood wordt ook opgesteld. Ze staat op een kleine afstand van haar ouders en kijkt naar ze.
Beppe draait zich meteen naar haar om en ademt diep in. Haar gestorven dochter onder ogen zien, geeft ruimte. De begeleider zet de oudste dochter tegenover haar beide ouders. Zij kijkt ze recht in de ogen en vertelt: “Het is goed waar ik nu ben. Ik voel me licht. Ik wil zo graag dat jullie naar me kijken.”
De begeleider keert pake en beppe naar elkaar toe zodat ze tegenover elkaar staan. Hij formuleert voor ze: “Toen onze oudste dochter stierf, konden we elkaar alleen nog maar vasthouden in het verdriet. Iets anders was er niet meer.”
Pake uit zichzelf: “Ik was nabij en ver weg tegelijk. Ik kon na een tijdje niet meer kijken naar jouw verdriet. Ik moest me wel afwenden.”
Beppe uit zichzelf: “Het was ons eerste kind en ik was zo blij dat ze geboren werd.”
De oudste dochter gaat voor pake en beppe op de grond zitten, die nu naast elkaar staan. Ze leunt met haar rug tegen de benen van haar ouders. Beiden leggen een hand op het hoofd van hun kind en zegenen het zo. “Jij bent onze oudste dochter. We hebben je lief.” Allebei zegenen ze haar: “Ik neem je mee in mijn hart en ik laat je gaan.”
Op het gezicht van de dochter komt een glimlach. Ze ademt rustig.
Beppe zegt ook nog tegen haar: “Ik wil je nog wat zeggen. Ik voelde me zo schuldig; ik had het willen voorkomen.” En ze legt haar hand nog iets steviger op het hoofd van haar dochter.
Nu komt een ander deel van de constellatie in beeld: de latere generatie van de cliënt en haar ouders. De begeleider zet de stand-in voor de cliënt tegenover haar moeder. Ze vinden het allebei moeilijk om echt naar elkaar te kijken.
De dochter: “Ik voel me ineens zo kwaad worden op haar.”
De moeder: “Ik voel me schuldig maar ik kan niet anders.”
De begeleider geeft de cliënt een grote steen in haar handen en zegt haar voor: “Net als jij was ik het tweede kind. Wat ik van je gedragen heb, is niet van mij. Ik heb het uit liefde voor je gedragen. Nu geef ik het je terug.” De dochter herhaalt deze zinnen en overhandigt de steen aan haar moeder. Ze kijken elkaar gespannen aan.
Als de moeder de steen aanneemt, zeg ze: “Het is goed dat je het me teruggeeft. Deze last is inderdaad niet van jou en is ook niet van mij…”. Het lijkt alsof ze, terwijl ze deze woorden uitspreekt, steviger wordt. Haar ogen staan helder. Ze bewegen dichter naar elkaar toe.
Opnieuw het beeld van de vroegere generatie. De begeleider zet de moeder met de steen in haar handen tegenover haar ouders: pake en beppe.
Moeder tegen haar ouders: “Ik droeg te veel verantwoordelijkheid. Ik droeg voor jullie het verdriet om de dood van jullie eerste kindje.” Ze geeft de steen aan haar ouders. Pake en beppe nemen de steen aan en beamen dat het hun verdriet is geweest dat hun dochter voor ze heeft gedragen. De begeleider vraagt de oudste, de gestorven dochter, te gaan staan. Nu pakt beppe haar tweede dochter bij de hand en zegt: “Ik wil je voorstellen, dit is je oudste zus.” De moeder staat nu tegenover haar oudste, gestorven zus en ze zegt: “Jij bent mijn zus, de oudste. Ik ben de tweede. Ik eer je als mijn zus, ik heb je zo gemist.” Beide hebben tranen in hun ogen als ze elkaar vastpakken.
Vanaf de kant heeft de cliënt heel betrokken naar de opstelling gekeken. Nu komt het moment dat de begeleider haar zelf haar plek in de constellatie laat innemen in plaats van de stand-in. De stand-in gaat aan de kant zitten.
De begeleider laat beide generaties achtereen vervolgens in beeld komen. Hij zet de cliënt eerst tegenover haar gestorven tante.
Cliënt tegen haar tante: “Ik wist niet dat ik jou zocht. Ik ben blij dat ik je gevonden heb.“
Tante tegen haar nichtje: “Ik ben te vroeg gestorven, dat is mijn lot. Leef jij jouw leven. Mijn zegen heb je.” De cliënt buigt voor haar tante.
Dan gaat de cliënt, de kleindochter, tegenover beppe en pake staan en die zegenen haar. Kleindochter tegen beppe en pake: “Ik hoef jullie klus niet te klaren. Ik heb genoeg aan de mijne. Nu ik jullie zegen heb, kan ik gaan.”
De begeleider zet opnieuw de stand-in voor de cliënt in de constellatie, zodat de cliënt vanaf de kant het totale beeld diep in zich kan opnemen.
Dan stapt ieder uit zijn rol en de begeleider bedankt ze.